Soldaat Joannes Reubsaet


Joannes Reubsaet, het vierde kind en tweede zoon van Lambertus Reubsaet en Catharina Anna Maria Kessen werd geboren op 7 januari 1773 in Elsloo. Hij werd genoemd naar zijn grootvader aan vaders kant Joannes Willem Reubsaet zoals in die tijd gebruikelijk was. De eerste zoon van Lambert en Catharina met die naam was een jaar eerder overleden.

Als Joannes 19 jaar oud is start er een lange tijd van voortdurende oorlog van 1792 tot 1815 met maar twee jaar onderbreking in 1802 en 1803. Centraal hierin stond Frankrijk, dat eerst als radicale Republiek en later als Napoleontisch keizerrijk door de rest van Europa werd beschouwd als een grote dreiging, en in zeker opzicht was het dat ook. De dieper liggende oorzaken van de oorlogen waren complex, en voor de meeste tijdgenoten ook niet altijd te doorzien. Maar de oorlogen bleven, en geen land in Europa heeft grotere aantallen soldaten geleverd aan de oorlogvoerende partijen dan Nederland. Kleine landen, zoals Nederland, vochten dikwijls voor verschillende meesters en voor verschillende bondgenoten. Verreweg de meeste soldaten voor het leger van Napoleon kwamen uit Nederland mede door invoering van de dienstplicht.

Gezien zijn levensloop moet Joannes een avontuurlijk persoon zijn geweest. Gelet op de plaatsen waar hij opduikt is duidelijk dat hij militair is geweest hetgeen niet alleen in zijn huwelijksakte wordt bevestigd, maar ook uit archieven blijkt dat hij was ingedeeld bij het regiment Van Hessen Philipsthal, cavalerie in het Staatse leger.
In de Republiek der Zeven Verenigde Provincies, zijn nogal wat conflicten tussen de prinsgezinden en de staatsgezinden. Uiteindelijk vlucht Willem V naar Engeland en wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen, een vazalstaat van de Fransen. Wanneer hij precies in dienst gaat is (nog) niet achterhaald.

Joannes Reubsaet werd mogelijk gelegerd in Stevensweert in Limburg. Het vestingstadje Stevensweert ligt hemelsbreed 7 kilometer van Montfort. Waarschijnlijk heeft hij hier zijn eerste vrouw Catrine Vestree leren kennen waarmee hij op 2 oktober 1800 in Montfort trouwt. Opmerkelijk is dat haar vader Philippe Vestree eveneens militair was. Catrine is dan 37 jaar oud, bijna 11 jaar ouder dan Joannes. Catrine Vestree overlijdt vóór 1819 in Gorinchem, een vestingsstadje waar het echtpaar woonde, en laat Joannes als weduwnaar achter.
Er zijn uit dit huwelijk geen kinderen bekend.

In 1819 duikt Joannes weer op. Nu in Willemstad waar hij op 20 februari 1819 huwt met Cornelia van Berkhom. Cornelia is 21 jaar jonger dan Joannes. Willemstad in het noordwesten van Brabant, is tot op de dag van vandaag duidelijk herkenbaar als vestingplaats, in de vorm van een vijfpuntige ster. Het plaatsje is tot 1585 bekend onder de naam Ruigenhil en werd door Willem van Oranje omgebouwd tot vesting. In 1585 krijgt Ruigenhil stadsrechten en wordt een jaar na de moord op Willem van Oranje door zijn zoon Prins Maurits omgedoopt in Willemstad, als eerbetoon aan zijn vader.
Joannes is in Wilemstad gelegerd als korporaal bij de elfde garnizoenscompagnie en weduwnaar van Catrine Vestree, zoals in zijn huwelijksakte van 1819 is te lezen.

In dit vestingsstadje verblijven Joannes en Cornelia tot hij wordt gedirigeerd.
In een brief uit Brussel van 17 september 1827 kondigt de Commissaris Genraal van Oorlog, Frederik aan dat:
vijfendertig huisgezinnen, van de 1ste garnizoenscompagnie, die bestemd zijn, om, onverwijld, op de stichtingen der maatschappij te Veenhuizen te worden gedirigeerd.
Onder deze manschappen vinden we ook Joannes en zijn vrouw Cornelia terug.
Joannes wordt volgens een beschrijving op 1 juli 1830, te werk gesteld als smitsbaas bij het 2e en 3e gesticht niet zo vreemd als we weten dat zijn vader een smederij had in Elsloo.

In 1823 worden in Veenhuizen drie gestichten gebouwd voor bedelaars, landlopers en wezen. In eerste instantie konden de mensen hier vrijwillig naar toe, maar toen bleek dat de aanloop niet al te groot was, kreeg opname in deze gestichten een dwingend karakter en werden de gestichten gesloten inrichtingen. Natuurlijk moesten deze worden bewaakt waarvoor men militairen in zette. Uit de stukken blijkt dat deze militaire allemaal wel een of andere aandoening hadden. Van Joannes is dit niet bekend maar gezien zijn leeftijd zal hij niet meer actief als militair hebben kunnen dienen. Joannes vinden we in de documenten ook terug onder de naam Joannes Rubsart. Joannes overlijdt op 28 maart 1845 op 72-jarige leeftijd te Veenhuizen gemeente Norg Drenthe. Cornelia is na het overlijden van Joannes niet in Veenhuizen gebleven en vertrekt naar Vilvoorde België. Op 9 oktober 1847 komt ze terug naar Veenhuizen en wordt ze ingeschreven in het register van het Rijks tweede gesticht Veenhuizen met als voormalige woonplaats Vilvoorde, een plaats dicht bij Brussel. Volgens dit register was zij de weduwe van Fusilier J. Reupzaet*). Cornelia overlijdt op 29 maart 1866, eveneens op 72-jarige leeftijd in Veenhuizen gemeente Norg Drenthe.
*) in de stukken zien we een keer dat de naam Rubsart wordt gewijzigd in Reupzaet.

In beginsel werden alle overledenen van het dorp Veenhuizen begraven op het kerkhof van Norg. Door de komst de drie gestichten en de vele mensen die hierin gehuisvest waren, (op het hoogtepunt ongeveer 6000) was dit niet meer houdbaar en werd er even buiten Veenhuizen een begraafplaats aangelegd speciaal voor het personeel en de bewoners van het gesticht. Deze begraafplaats noemde men het "vierde gesticht". De begraafplaats is ingedeeld in verschillende delen elk met hun eigen specifieke doel. Er bevindt zich een massagraf waar landlopers, dronkaards en armen naamloos werden begraven, zonder kist vaak in hun slaapmat. Er is een massagraf van cholera slachtoffers. Er is een gedeelte met anonieme graven. Vanaf 1875 werden de graven van witte betonnen kruisen voorzien en werd er een administratie bijgehouden, dus niet meer anoniem. Een gedeelte als begraafplaats van Belgische vluchtelingen uit de eerste wereldoorlog en natuurlijk de graven van personeel, en dit alles keurig gescheiden in katoliek en protestant. een joodse begraafplaats bevond zich elders.

Links van de begraafplaats vindt men de graven van het personeel en hun huisgenoten. Hoewel aangetast door de tand des tijds, allemaal keurige graven waarvan enkele statige graven van hoger personeel, herkenbaar aan de "ledikanten" (hekwerk) en graftrommels.
Rechts vooraan bevindt zich een groot grasveld waaronder het massagraf.
Ook de gedetineerden vonden hier een laatste rustplaats zij het in een voor de buitenwereld anoniem graf, vanaf 1875 herkenbaar door een groot wit kruis met een nummer. Aan de hand van dit nummer was te achterhalen wie er in het graf lag. Enkele nabestaanden hebben zich die moeite gedaan en een naamplaatje aan het kruis bevestigd. Dit deel bevindt zich helemaal achterdoor. Tot 1983 was de begraafpaats niet toegankelijk, ook niet voor nabestaande. Sinds 2005 is het een rijksmonument.
In tegenstelling tot vele begraafplaatsen, worden hier de graven niet geruimd. Er staan veel grafmonumenten uit de 19e eeuw. Het zou dus kunnen zijn dat het graf van Joannes zich hier nog bevinden. De lijst met namen van hier begraven mensen is vanaf 1875. Joannes is hier als militair in 1845 begraven. Cornelia overleed in 1866 en ligt waarschijnlijk in een anoniem graf.